In groep 7 staat werkwoordspelling centraal: de tegenwoordige tijd (t, dt, 'word jij'), de verleden tijd, apostrof, tussen-n en tussen-s, en hoofdletters bij talen en feestdagen.
Zo werkt het: de voorleesstem zegt een korte zin en daarna het woord. Je kind ziet de zin met een gat en typt alleen dat woord. Fout? Dan staat het goede woord er meteen, met de regel in één zin. Tien woorden per keer, elke keer een andere mix.
▶ Start het dictee voor groep 7 — gratis, geen accountHandig om samen door te lezen of voor te lezen. Onderwerpen: werkwoord tt, verleden tijd, apostrof, tussen-n, dubbele medeklinker, tussen-e, tussen-s, samenstelling, verkleinwoord, leenwoord, hoofdletter, streepje, open lettergreep.
| Woord | Zin | Regel |
|---|---|---|
| wordt | Hij wordt morgen tien jaar. | Hij of zij nu: stam + t. Word + t is wordt. |
| antwoordt | Zij antwoordt altijd snel. | Hij of zij nu: stam + t. Antwoord + t, dus dt. |
| vindt | Zij vindt het spannend. | Hij of zij nu: stam + t. Vind + t is vindt. |
| houdt | Zij houdt van paarden. | Hij of zij nu: stam + t. Houd + t is houdt. |
| vind | Ik vind dit boek leuk. | Ik-vorm is alleen de stam: vind, zonder t. |
| word | Waarom word jij zo snel moe? | Staat jij achter het werkwoord? Dan alleen de stam, zonder t. |
| verhuist | Hij verhuist volgende week. | Hij of zij nu: stam + t. Verhuis + t. |
| regelt | De agent regelt het verkeer. | Hij of zij nu: stam + t. Regel + t. |
| vergadert | De Tweede Kamer vergadert vandaag. | Hij of zij nu: stam + t. Vergader + t. |
| praat | Hij praat veel te hard. | De stam praat eindigt al op een t: er komt geen tweede t bij. |
| zet | Zij zet haar tas op de grond. | De stam zet eindigt al op een t: er komt geen tweede t bij. |
| werkte | Vorige week werkte papa thuis. | Verleden tijd: werk + te, want de k zit in 't kofschip. |
| leerde | Ik leerde gisteren mijn woordjes. | Verleden tijd: leer + de, want de r zit niet in 't kofschip. |
| mama's | Ik zag mama's fiets buiten staan. | Van wie? Van mama. Na een lange klinker aan het eind komt apostrof + s. |
| auto's | De auto's staan in de rij. | Meervoud na een losse a, o, u, i of y: apostrof + s. |
| hobby's | Mijn hobby's zijn voetbal en tekenen. | Meervoud na een y: apostrof + s. |
| pannenkoek | De pannenkoek smaakt heerlijk. | Tussen-n: het meervoud is pannen, dus pannen-koek. |
| boekenkast | De boekenkast is vol. | Tussen-n: het meervoud is boeken, dus boeken-kast. |
| vriendinnen | Mijn vriendinnen komen eten. | Meervoud: vriendin + nen. Korte i, dus twee n's. |
| zonnebloem | De zonnebloem groeit hard. | Zonnebloem is een onthoudwoord: je schrijft zonne, zonder n. Net als zonneschijn en zonnestraal. |
| stationsplein | Wij fietsen over het stationsplein. | Hoor je een s tussen de twee delen? Die schrijf je ook: station + s + plein. |
| dorpsstraat | De dorpsstraat is smal. | Dorp + s + straat: de s die je hoort schrijf je erbij, dus drie s'en achter elkaar. |
| zomervakantie | Het is bijna zomervakantie. | Samenstelling: zomer + vakantie, aan elkaar. En tsie schrijf je als t-i-e. |
| chocolaatje | Het chocolaatje was lekker. | Verkleinwoord van chocola: de lange aa krijgt twee a's, dan -tje. |
| cadeau | Ik heb een cadeau gekregen. | Frans woord: je hoort oo op het eind, maar je schrijft e-a-u. |
| interview | Het interview duurde een uur. | Engels woord: je hoort vjoe op het eind, maar je schrijft v-i-e-w. |
| Nederlands | Op school spreken wij Nederlands. | Namen van talen krijgen een hoofdletter. |
| Pasen | Met Pasen zoeken wij eieren. | Feestdagen krijgen een hoofdletter. |
| zee-eend | We zagen een zee-eend in de sloot. | Botsen twee dezelfde klinkers? Zet er een streepje tussen: zee-eend. |
| buiten | Wij spelen buiten tot het donker wordt. | Bui-ten: het stuk bui eindigt op de klank, dus één klinker en daarna -ten. |
Krijgt je kind elke week een woordenlijst mee? Plak of typ die in het dictee onder Woorden van school. De voorleesstem leest ze voor en je kind oefent precies de woorden die op school komen. Meer uitleg: dictee oefenen.
Dictee groep 4 · groep 5 · groep 6 · groep 8. Ook: de werkwoordspellingtest (groep 6-8).