In groep 4 leren kinderen de eerste spellingregels: d of t aan het eind (verlengen: hond → honden), lange klanken (kaas, boot), -ng en -nk, cht, en woorden met au/ou en ei/ij die je moet onthouden.
Zo werkt het: de voorleesstem zegt een korte zin en daarna het woord. Je kind ziet de zin met een gat en typt alleen dat woord. Fout? Dan staat het goede woord er meteen, met de regel in één zin. Tien woorden per keer, elke keer een andere mix.
▶ Start het dictee voor groep 4 — gratis, geen accountHandig om samen door te lezen of voor te lezen. Onderwerpen: d of t, lange klank, -nk, -ng, ei/ij, au/ou, sch, cht, aai/ooi/oei, eeuw/ieuw, eer/oor/eur, dubbele medeklinker, tweetekenklank.
| Woord | Zin | Regel |
|---|---|---|
| hond | De hond rent hard. | Je hoort een t, maar je schrijft een d. Maak het langer: hon-den. |
| koud | Het is koud buiten. | Je hoort een t, maar je schrijft een d. Maak het langer: kou-de. |
| paard | Het paard eet gras. | Je hoort een t, maar je schrijft een d. Maak het langer: paar-den. |
| hoofd | Ik stoot mijn hoofd. | Je hoort een t, maar je schrijft een d. Maak het langer: hoof-den. |
| bed | Ik lig in mijn bed. | Je hoort een t, maar je schrijft een d. Maak het langer: bed-den. |
| kaas | Ik eet een broodje kaas. | Je hoort een lange aa en het woord eindigt op een medeklinker: dan schrijf je twee a's: k-aa-s. |
| boot | De boot vaart over het water. | Je hoort een lange oo en het woord eindigt op een medeklinker: dan schrijf je twee o's: b-oo-t. |
| geel | De bloem is geel. | Je hoort een lange ee en het woord eindigt op een medeklinker: dan schrijf je twee e's: g-ee-l. |
| zeep | Ik was mijn handen met zeep. | Je hoort een lange ee en het woord eindigt op een medeklinker: twee e's: z-ee-p. |
| brood | Ik eet een boterham met brood. | Lange oo, dus twee o's. En op het eind een d: maak het langer, bro-den. |
| bank | De kat slaapt op de bank. | Een nk-woord: je hoort ngk, maar je schrijft n-k. |
| ring | Ik draag een ring. | Een ng-woord: je hoort één klank, maar je schrijft twee letters: n-g. |
| trein | Ik zwaai naar de trein. | Trein schrijf je met de korte ei. Je hoort het verschil met ij niet: onthoudwoord. |
| kijk | Ik kijk naar de lucht. | Kijk schrijf je met de lange ij. Onthoudwoord. |
| blauw | De lucht is blauw. | Blauw schrijf je met au. Au en ou klinken hetzelfde: dit moet je onthouden. |
| vrouw | De vrouw loopt naar buiten. | Vrouw schrijf je met ou. Onthoudwoord. |
| schaap | Het schaap staat in de wei. | Je hoort sg aan het begin, maar je schrijft s-c-h. |
| school | De school begint om half negen. | Je hoort sg aan het begin, maar je schrijft s-c-h. Daarna een lange oo: twee o's. |
| nacht | In de nacht is het donker. | Je hoort nagt, maar je schrijft ch-t. |
| licht | Doe het licht aan. | Je hoort ligt, maar je schrijft ch-t. |
| koeien | De koeien staan in de wei. | Hoor je oei? Dan schrijf je o-e-i. |
| mooi | Ik vind die tekening mooi. | Hoor je ooi? Dan schrijf je o-o-i. |
| haai | In de zee zwemt een haai. | Hoor je aai? Dan schrijf je a-a-i. |
| leeuw | De leeuw brult hard. | Na eeu komt altijd een w: l-eeu-w. |
| nieuw | Ik heb een nieuw boek. | Na ieu komt altijd een w: n-ieu-w. |
| weer | Het weer is mooi vandaag. | Hoor je eer? Dan schrijf je twee e's en een r: w-ee-r. |
| deur | De deur staat open. | Hoor je eur? Dan schrijf je e-u-r. |
| oor | Ik hoor het met mijn oor. | Hoor je oor? Dan schrijf je twee o's en een r. |
| appel | Oma bakt een appel. | Korte a, daarna twee p's. Met één p lees je apel. |
| fluit | Ik speel op mijn fluit. | Hoor je ui? Dan schrijf je u-i. |
Krijgt je kind elke week een woordenlijst mee? Plak of typ die in het dictee onder Woorden van school. De voorleesstem leest ze voor en je kind oefent precies de woorden die op school komen. Meer uitleg: dictee oefenen.
Dictee groep 5 · groep 6 · groep 7 · groep 8. Ook: de werkwoordspellingtest (groep 6-8).