Op de basisschool krijgt je kind een werkwoordspellingtest: twintig zinnen met een gat, tussen haakjes het hele werkwoord en de tijd. Hier oefent je kind die test net zo, met meteen de regel bij een fout en een score per vorm. Gratis, groep 6 t/m 8, geen account nodig.
| ○ Tegenwoordige tijd | ik = stam; hij/zij/het = stam + t, ook als je 'm niet hoort: hij vindt, zij wordt. Truc: vervang door 'lopen'. |
|---|---|
| □ Verleden tijd | 't kofschip: laatste klank vóór -en in t, k, f, s, ch, p? Dan -te, anders -de. Sterk werkwoord: klinker verandert (zwerven → zwierf). |
| △ Voltooid deelwoord | ge- + stam + t of d, nooit -dt. Na be-, ver-, ont-, her-: geen ge-. Sterk: -en (geschreven). |
| ▢ Bijvoeglijk gebruikt | voltooid deelwoord + e: de gebakken aardappels, de verbrande koekjes, het vergrote plaatje. |
Krijgt je kind elke week een lijstje werkwoorden mee? Plak ze onder Werkwoorden van school. Leerkwartier maakt er zelf de drie vormen van en zet ze in oefenzinnen; klopt een vorm niet, dan pas je hem aan. Daarna zet je de test met een code klaar voor je kind of, als leerkracht, voor de hele klas.
Werkwoordspelling is het zwaarste onderdeel van taalverzorging op de Doorstroomtoets. Op de toets moet een kind de vorm zélf schrijven, niet aanwijzen. Daarom typ je hier de vorm, in plaats van te kiezen uit vier antwoorden. Wil je eerst de regels doornemen? Kijk bij werkwoorden en d/t.
De score telt mee in het gratis weekrapport voor thuis. Liever losse woorden horen en schrijven? Dan is er het dictee met je AI-buddy Charley. Meer oefenen: Doorstroomtoets oefenen.