In groep 6 oefent je kind -isch en -heid, c als k of s, -tje/-pje/-kje, het trema, voorvoegsels, leenwoorden en de eerste werkwoordvormen (hij loopt, zij wordt).
Zo werkt het: de voorleesstem zegt een korte zin en daarna het woord. Je kind ziet de zin met een gat en typt alleen dat woord. Fout? Dan staat het goede woord er meteen, met de regel in één zin. Tien woorden per keer, elke keer een andere mix.
▶ Start het dictee voor groep 6 — gratis, geen accountHandig om samen door te lezen of voor te lezen. Onderwerpen: -isch, d of t, leenwoord, c als s, c als k, -lijk, meervoud, verkleinwoord, -heid, trema, voorvoegsel, werkwoord nu.
| Woord | Zin | Regel |
|---|---|---|
| logisch | Dat is een logisch antwoord. | Je hoort ies op het eind van een woord dat iets beschrijft: dan schrijf je -isch. De ch hoor je niet. |
| fantastisch | Het feest was fantastisch. | Je hoort ies op het eind, maar je schrijft -isch. De ch hoor je niet. |
| wedstrijden | Wij spelen twee spannende wedstrijden. | Je hoort wedstrijt, maar je schrijft een d: maak het langer, wedstrij-den. |
| zwembad | Ik speel graag in het zwembad. | Je hoort zwembat, maar je schrijft een d: maak het langer, ba-den. |
| vakantie | Wij gaan op vakantie naar Frankrijk. | Je hoort tsie op het eind, maar je schrijft t-i-e. |
| politie | De politie helpt mensen. | Je hoort tsie op het eind, maar je schrijft t-i-e. |
| computer | De computer staat aan. | Engels woord: je hoort kompjoeter, maar je schrijft c-o-m-p-u-t-e-r. |
| bibliotheek | De bibliotheek is vandaag open. | Je hoort een t in het midden, maar je schrijft t-h: biblio-theek. |
| museum | Wij bezoeken het museum. | Je hoort een z in het midden, maar je schrijft een s: mu-se-um. |
| garage | De auto staat in de garage. | Ga-ra-ge: de tweede g klinkt als zj, maar je schrijft toch een g. |
| bioscoop | Wij gaan naar de bioscoop. | Bi-o-scoop: je hoort een k, maar je schrijft een c. En de laatste klank is lang: twee o's. |
| cirkel | Teken een cirkel op het bord. | Voor een i of een e klinkt de c als een s: cirkel. |
| camera | De camera staat op tafel. | Voor een a, o of u klinkt de c als een k: camera. |
| vriendelijk | Zij is een vriendelijk meisje. | Vriend + e + lijk. De d van vriend blijft staan. |
| eieren | De eieren liggen in het nest. | Meervoud van ei: ei + eren. |
| liedjes | Wij zingen liedjes in de klas. | Verkleinwoord: lied + jes. De d blijft staan, ook al hoor je een t. |
| bloemetjes | De bloemetjes staan in de vaas. | Verkleinwoord: bloem + etjes. Bloempjes mag ook. |
| duimpje | Ik stootte mijn duimpje. | Woorden die op een m eindigen krijgen -pje: duim + pje. |
| koninkje | In het verhaal komt een klein koninkje voor. | Woorden op -ing krijgen -kje: koning wordt konin-kje. |
| aardappels | De aardappels zijn gaar. | Je hoort aart, maar je schrijft aard: maak het langer, aar-de. Aardappelen mag ook. |
| waarheid | Je moet altijd de waarheid vertellen. | Je hoort hijd op het eind, maar je schrijft -heid, met de korte ei. |
| snelheid | De auto rijdt met hoge snelheid. | -heid schrijf je altijd met de korte ei, ook al hoor je hijd. |
| tweeën | We waren met zijn tweeën. | Twee e's die je apart uitspreekt: puntjes op de tweede e, twee-ën. |
| knieën | Ik heb schaafwonden op mijn knieën. | Na knie begin je opnieuw met een e: puntjes op die e, knie-ën. |
| verrassend | Het verhaal was heel verrassend. | Ver + rassend: het voorvoegsel ver- en dan rassend, dus twee r's. |
| behulpzaam | Zij is heel behulpzaam. | Be + hulp + zaam: het voorvoegsel be- schrijf je met een e, ook al hoor je bu. |
| zwemt | De vis zwemt in de kom. | Hij of zij nu: stam + t. Zwem + t. |
| vliegt | De ballon vliegt weg. | Hij of zij nu: stam + t. Vlieg + t. |
| schijnt | De zon schijnt fel. | Hij of zij nu: stam + t. Schijn + t. |
| moeilijker | De toets was moeilijker dan gedacht. | Moeilijk + er: je hoort luk, maar je schrijft -lijk. |
Krijgt je kind elke week een woordenlijst mee? Plak of typ die in het dictee onder Woorden van school. De voorleesstem leest ze voor en je kind oefent precies de woorden die op school komen. Meer uitleg: dictee oefenen.
Dictee groep 4 · groep 5 · groep 7 · groep 8. Ook: de werkwoordspellingtest (groep 6-8).