Deel 1: De Romeinse symbolen — De Romeinen schreven getallen met letters.
Deel 2: Optellen — kleiner ná groter — Staat er een kleiner symbool ná een groter (of dezelfde)?
Deel 3: Aftrekken — kleiner vóór groter — Staat er een kleiner symbool vóór een groter?
Deel 4: In het echt — jaartallen, eeuwen & klok — Je komt Romeinse cijfers tegen op klokken, bij eeuwen (de 20e eeuw), in hoofdstuknummers en op oude gebouwen (bouwjaar).
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. Welk getal is X?
A.10
B.5
C.100
D.50
2. Welk getal is V?
A.5
B.10
C.1
D.50
3. Hoe schrijf je 100 in Romeinse cijfers?
A.C
B.M
C.L
D.D
4. Welk symbool is 50?
A.L
B.C
C.X
D.V
5. Welk getal is M?
A.1000
B.500
C.100
D.2000
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.