Deel 1: Wat is een breuk? — Een breuk is een deel van iets.
Deel 2: Soorten breuken — woorden — Voor de Doorstroomtoets moet je breuken in woorden kunnen lezen.
Deel 3: Vereenvoudigen + gelijke breuken — Veel breuken zien er anders uit maar zijn gelijk.
Deel 4: Optellen en aftrekken — gelijke noemer — Bij optellen en aftrekken van breuken moet de noemer hetzelfde zijn.
Deel 5: Vermenigvuldigen — een breuk × een heel getal — Een breuk vermenigvuldigen met een heel getal is simpeler dan optellen: je vermenigvuldigt alleen de teller.
Deel 6: Praktijk — winkel + recept + tijd — Tijd voor mix-sommen in Doorstroomtoets-stijl.
Deel 7: Eindopdracht — breuken mix — Mix-toets in Doorstroomtoets-stijl.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. 3/8 van een pizza is opgegeten — welk deel is niet opgegeten?
A.5/8
B.3/8
C.8/8
D.1/8
2. Welke breuk is groter dan 1?
A.7/4
B.3/4
C.1/2
D.4/4
3. Bij een pizza in 6 stukken eet je 4. Welke breuk is dat?
A.4/6
B.6/4
C.4/10
D.2/6
4. In de breuk 2/5 — welk getal is de noemer?
A.5
B.2
C.7
D.3
5. Wat vertelt de teller van een breuk?
A.Hoeveel stukken je neemt
B.In hoeveel gelijke stukken het verdeeld is
C.Hoeveel hele pizza's er zijn
D.Hoe zwaar elk stuk is
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.