Deel 1: Gewicht omrekenen — gram, ons, pond, kilo — Gewicht-eenheden die je in de winkel tegenkomt: • mg (milligram) — heel klein, bijv.
Deel 2: Inhoud omrekenen — milliliter, centiliter, deciliter, liter — Inhoud-eenheden (van klein naar groot): • ml (milliliter) — een theelepel is ~5 ml.
Deel 3: Tijd omrekenen — seconden, minuten en uren — Tijd rekent niet met 10 of 100, maar met 60!
Deel 4: In het echt — boodschappen, recept en reizen — Op de Doorstroomtoets staan meeteenheden bijna altijd in een verhaaltje: een recept, een pak drinken, een treinreis.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. 2,5 kg is hoeveel gram?
A.2500 g
B.250 g
C.25 000 g
D.25 g
2. Hoeveel gram is 1 pond?
A.500 g
B.1000 g
C.100 g
D.250 g
3. 3 ons kaas is hoeveel gram?
A.300 g
B.30 g
C.3000 g
D.150 g
4. 750 g is hoeveel kilo?
A.0,75 kg
B.7,5 kg
C.0,075 kg
D.75 kg
5. Je koopt 1 kg appels en 3 ons druiven. Hoeveel gram fruit samen?
A.1300 g
B.1003 g
C.4000 g
D.1030 g
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.