Leerkwartier › Doorstroomtoets oefenen › Oefenvragen › Taal

Doorstroomtoets taal oefenen: 40 oefenvragen met uitleg

Taal op de Doorstroomtoets betekent: lezen (begrijpend lezen, signaalwoorden, verwijswoorden) en taalverzorging (spelling, werkwoordspelling, interpunctie). Hieronder oefen je precies die onderdelen.

Probeer eerst zelf, open dan het antwoord. Lukt het niet? In de app krijgt een kind bij elke vraag hulp op drie niveaus, tot het het snapt. Gratis, zonder account.

Woordenschat

1. Welk woord is een synoniem van 'enorm'?

  1. Heel zwaar
  2. Heel oud
  3. Heel groot
  4. Heel klein
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Heel groot

Zet het woord in een zin: 'een enorm huis'. Wat weet je dan over de maat van dat huis? Enorm betekent hetzelfde als 'heel groot'.

Taal · Woordenschat

2. 'Het verlamde dier kon niet meer lopen.' Wat betekent verlamd?

  1. Heel erg bang zijn
  2. Gewond aan een poot
  3. Niet kunnen bewegen
  4. Heel erg moe zijn
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Niet kunnen bewegen

Welk woordje zit er in ver-LAM-d? Als je arm 'lam' is, wat kun je dan niet meer met die arm? De zin zegt dat het dier niet meer kan lopen. Verlamd = niet bewegen.

Taal · Woordenschat

3. Welk woord betekent hetzelfde als 'tevreden'?

  1. Blij met de situatie
  2. Bang voor de situatie
  3. Verbaasd over de situatie
  4. Boos over de situatie
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. Blij met de situatie

Denk aan de zin 'Ik ben tevreden met mijn rapport.' Hoe voel je je dan: fijn of naar? Tevreden ben je als je niets te klagen hebt: je bent blij met hoe het gegaan is.

Taal · Woordenschat

4. 'De docent gaf een toelichting bij de som.' Wat is een toelichting?

  1. Een uitleg
  2. Het antwoord
  3. Een opdracht
  4. Een cijfer
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. Een uitleg

In 'toelichting' zit 'licht'. Als je iets toelicht, maak je het helder en duidelijk. Wat doet de docent dan bij de som? Toelichting = uitleg. De docent gaf uitleg bij de som.

Taal · Woordenschat

5. 'Zij was onverstoorbaar tijdens de toets.' Wat betekent onverstoorbaar?

  1. Kalm
  2. Vermoeid
  3. Afgeleid
  4. Zenuwachtig
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. Kalm

On- betekent 'niet'. Onverstoorbaar = niet te verstoren. Hoe ben je als niets je van slag kan brengen? On- = niet. Niet-verstoorbaar = niet uit balans.

Taal · Woordenschat

6. 'De situatie was uiterst precair.' Wat betekent precair?

  1. Onzeker / gevaarlijk
  2. Druk / lawaaiig
  3. Vrolijk / gezellig
  4. Saai / niet spannend
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. Onzeker / gevaarlijk

'Uiterst' betekent 'heel erg'. Zeg je 'uiterst precair' als alles goed gaat, of als het elk moment mis kan gaan? Precair = riskant. Een precaire situatie = situatie waar snel iets mis kan gaan.

Taal · Woordenschat

7. 'De vergadering werd door zijn inmenging verstoord.' Wat is inmenging?

  1. Te laat binnenkomen
  2. Ongevraagd bemoeien
  3. Hard lachen
  4. Hulp aanbieden
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. Ongevraagd bemoeien

In 'inmenging' zit 'mengen'. Wie zich ergens in mengt, doet mee terwijl niemand daarom vroeg. Waarom werd de vergadering daardoor verstoord? In + mengen = ergens in mengen waar het niet hoort.

Taal · Woordenschat

8. Welk woord betekent hetzelfde als 'gehaast'?

  1. Moe en sloom
  2. Druk en snel
  3. Boos en kortaf
  4. Rustig en kalm
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. Druk en snel

In 'gehaast' zit het woord 'haast'. Hoe beweeg je als je haast hebt? Gehaast = haast hebben = druk en snel.

Taal · Woordenschat

Begrijpend lezen

9. Wat is een alinea?

  1. De hele tekst van begin tot eind
  2. Een groep zinnen over één onderwerp
  3. Een plaatje met een onderschrift
  4. Eén lange zin met veel komma's
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. Een groep zinnen over één onderwerp

Kijk naar een bladzijde in een boek: de tekst is verdeeld in stukjes met een witregel of inspringing ertussen. Hoe noem je zo'n stukje? Tekst-stukje met witregel ervoor en erna.

Taal · Begrijpend lezen

10. Wat geeft het signaalwoord 'omdat' aan?

  1. Een tegenstelling
  2. Een reden
  3. Een voorbeeld
  4. Een gevolg
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. Een reden

Maak een zin: 'Ik blijf binnen, omdat het regent.' Vertelt het stuk na 'omdat' wat er daarna gebeurt, of waaróm ik binnen blijf? Omdat hij ziek IS → reden. Daardoor blijft hij THUIS → gevolg.

Taal · Begrijpend lezen

11. Wat geeft het signaalwoord 'daardoor' aan?

  1. Tegenstelling
  2. Voorbeeld
  3. Gevolg
  4. Reden
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Gevolg

Maak een zin: 'Het regende hard. Daardoor werd ik nat.' Vertelt het stuk na 'daardoor' waaróm het gebeurde, of wat er daarna gebeurde? Wat gebeurde DOOR die actie? = daardoor.

Taal · Begrijpend lezen

12. Wat is een detail-vraag bij de Doorstroomtoets?

  1. Een vraag naar het doel van de schrijver
  2. Een vraag naar de hoofdgedachte
  3. Een vraag naar één los feit uit de tekst
  4. Een vraag naar wat jij ervan vindt
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Een vraag naar één los feit uit de tekst

Het woord 'detail' betekent: een klein onderdeel. Gaat zo'n vraag over de hele tekst, of over één klein stukje? Zoek in tekst, niet raden of eigen mening.

Taal · Begrijpend lezen

13. 'De plant ging dood doordat Tom hem te weinig water gaf.' Wat is hier de reden?

  1. De plant ging dood
  2. Tom is weg
  3. Te weinig water geven
  4. Het was zomer
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Te weinig water geven

Na 'doordat' staat waaróm iets gebeurt. Lees wat er in de zin achter 'doordat' staat. Doordat = reden. Wat staat erna? Te weinig water.

Taal · Begrijpend lezen

14. Wat is het verschil tussen 'feit' en 'mening'?

  1. Feit is positief, mening is negatief
  2. Feit kun je nagaan, mening is wat je vindt
  3. Feit staat in inleiding, mening in slot
  4. Feit is een getal, mening is een zin
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. Feit kun je nagaan, mening is wat je vindt

Vergelijk: 'Amsterdam ligt in Nederland' en 'Amsterdam is de mooiste stad'. Welke zin kun je opzoeken, en welke zin is wat iemand vindt? Feit = bewijsbaar. Mening = persoonlijk.

Taal · Begrijpend lezen

15. Een kernzin van een alinea is...

  1. Altijd de eerste zin
  2. De belangrijkste zin
  3. De zin met een voorbeeld
  4. De langste zin
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. De belangrijkste zin

Als je maar één zin van de alinea mocht houden, welke zin zou je dan kiezen? Belangrijkste zin in alinea = kernzin.

Taal · Begrijpend lezen

16. Bij kritisch lezen vraag je je vooral af...

  1. Welke woorden ken ik nog niet?
  2. Klopt dit en hoe weet de schrijver dat?
  3. Wat is de titel van de tekst?
  4. Hoeveel alinea's heeft de tekst?
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. Klopt dit en hoe weet de schrijver dat?

Kritisch lezen betekent: niet alles zomaar geloven. Welke vraag stel je dan aan de tekst? Kritisch = vragen naar bewijs.

Taal · Begrijpend lezen

Spelling

17. 'Gisteren ... ik naar school.' Welke vorm van fietsen hoort op de puntjes?

  1. fietste
  2. fietsde
  3. fiets
  4. fietsten
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. fietste

Zoek de stam van 'fietsen'. Op welke letter eindigt die? Zit die letter in 't kofschip? Werkwoord: fietsen. Stam: fiets. Eindigt op s (zit in 't kofschip). Voor verleden tijd + -te. Dus: ik fietste.

Taal · Spelling

18. Welk woord schrijf je met 'ei'?

  1. trein
  2. blijven
  3. vlijtig
  4. lijden
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. trein

De meeste woorden met deze klank schrijf je met 'ij'. Welk woord hoort bij de korte lijst met 'ei', zoals 'klein' en 'geit'? Trein = ei. Vlijtig/lijden/blijven = ij.

Taal · Spelling

19. 'Op ___ heb ik gym.' Welk woord is goed geschreven?

  1. dinsdag
  2. dingsdag
  3. Dinsdag
  4. dinstag
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. dinsdag

Staat het woord aan het begin van de zin? Zo nee: krijgt een dag van de week dan een hoofdletter? Dagen van de week krijgen in het Nederlands geen hoofdletter, behalve aan het begin van een zin. Kijk daarna goed naar de letters na 'din'.

Taal · Spelling

20. Welk woord schrijf je met 'au' (niet ou)?

  1. pauw
  2. stout
  3. goud
  4. houd
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. pauw

Voor au en ou bestaat geen regel. Vraag je bij elk woord af: hoe heb ik dit woord vaak zien staan? Denk aan rijtjes die je kent: koud, oud en hout schrijf je met ou; blauw en gauw met au. Bij welk rijtje hoort elk woord?

Taal · Spelling

21. Welke samenstelling is goed geschreven?

  1. zonebloem
  2. zonne bloem
  3. zonnebloem
  4. zonnenbloem
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. zonnebloem

Samenstelling = 2 woorden vast aan elkaar, geen spatie. Schrijf de twee delen als één woord, zonder spatie of streepje. Kijk dan naar het stukje tussen 'zon' en 'bloem': welke letters horen daar?

Taal · Spelling

22. 'Gisteren ... we naar opa.' Welke vorm van wandelen hoort op de puntjes?

  1. wandelt
  2. wandelde
  3. wandelden
  4. wandelten
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. wandelden

Zoek eerst de stam van 'wandelen'. Kijk dan: gaat de zin over één persoon of over meer? De stam is 'wandel'. De l zit niet in 't kofschip, dus er komt -de achter. 'We' is meervoud: wat komt er dan nog bij?

Taal · Spelling

23. Welk woord is goed gespeld?

  1. fietspat
  2. fiets pad
  3. fietspad
  4. fietzpad
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. fietspad

Twee woorden die samen één ding zijn, schrijf je aan elkaar. Voor de laatste letter verleng je het woord. Fiets + pad = 1 ding = aan elkaar.

Taal · Spelling

24. Welk woord is goed gespeld?

  1. eilant
  2. ijland
  3. eiland
  4. ijlant
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. eiland

Of je ei of ij schrijft, moet je uit je hoofd kennen. Voor de laatste letter verleng je het woord. Denk aan woorden als klein en plein: die schrijf je met ei. Verleng daarna het woord: hoor je een d of een t?

Taal · Spelling

Taalverzorging

25. Welke zin heeft komma's op de goede plek?

  1. Ik kocht appels, peren en druiven.
  2. Ik kocht appels peren, en druiven.
  3. Ik kocht appels, peren, en druiven.
  4. Ik kocht, appels peren en druiven.
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. Ik kocht appels, peren en druiven.

Bij een opsomming zet je een komma tussen de dingen. Wat doe je vlak vóór het woordje 'en'? Bij een opsomming: appels, peren en druiven. Tussen losse items komma, vóór 'en' geen komma.

Taal · Taalverzorging

26. Wat is het onderwerp in 'De kat slaapt'?

  1. De kat
  2. Slaapt
  3. De
  4. Slaapt de kat
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. De kat

Zoek eerst het werkwoord. Vraag dan: wie of wat doet dat? Het antwoord op die vraag is het onderwerp. 'De kat slaapt' → Wie slaapt? De kat. Dát is het onderwerp.

Taal · Taalverzorging

27. Wat is het werkwoord in 'Lisa rent hard'?

  1. rent
  2. Lisa
  3. hard
  4. Lisa rent
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. rent

Een werkwoord zegt wat iemand doet. Stel de vraag: wat doet Lisa? Vraag: wat doet Lisa? Het woord dat je dan antwoordt, is het werkwoord. 'Hard' zegt alleen hóé ze het doet.

Taal · Taalverzorging

28. Wat is het lijdend voorwerp in 'Ik eet een appel'?

  1. eet
  2. een appel
  3. Ik
  4. Ik eet
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. een appel

Lijdend voorwerp = WAT ondergaat de actie. Vraag 'wat + werkwoord + onderwerp?' 'Tom leest een boek.' → wat leest Tom? Een boek = lijdend voorwerp. Stel nu dezelfde wat-vraag bij jouw zin.

Taal · Taalverzorging

29. Welke zin heeft een bijvoeglijk naamwoord?

  1. Papa wast de auto.
  2. De rode auto rijdt.
  3. De auto rijdt.
  4. De auto staat in de garage.
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. De rode auto rijdt.

Bijvoeglijk naamwoord = beschrijft hoe iets is (rood, groot, klein). 'Het grote huis' → 'grote' zegt hoe het huis is. Zoek in elke zin een woord dat zegt hoe de auto is.

Taal · Taalverzorging

30. Welk woord is een persoonlijk voornaamwoord?

  1. snel
  2. ik
  3. auto
  4. boos
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. ik

Een persoonlijk voornaamwoord staat in de plaats van de naam van een persoon. Welk woord kun je gebruiken in plaats van een naam? In plaats van 'Tom' kun je 'hij' zeggen. 'Hij' is een persoonlijk voornaamwoord.

Taal · Taalverzorging

31. Welke zin staat goed met komma's?

  1. In mijn tas, zitten een boek en een pen.
  2. In mijn tas zitten een boek, een pen en een appel.
  3. In mijn tas zitten een boek een pen, en een appel.
  4. In mijn tas zitten een boek, een pen, en, een appel.
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. In mijn tas zitten een boek, een pen en een appel.

Bij een opsomming zet je een komma tussen de delen, maar vóór het laatste 'en' komt geen komma: appels, peren en druiven. Komma's tussen, geen komma voor 'en'.

Taal · Taalverzorging

32. Welke zin staat goed geschreven (directe rede)?

  1. Mama zei kom eten.
  2. Mama: zei 'kom eten'.
  3. Mama zei: 'Kom eten.'
  4. 'Mama zei kom eten.'
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Mama zei: 'Kom eten.'

Wat iemand letterlijk zegt, zet je tussen aanhalingstekens. Ervoor komt een dubbele punt, en het citaat begint met een hoofdletter. Wie zegt het + dubbele punt + aanhalingstekens om de woorden die gezegd worden.

Taal · Taalverzorging

Werkwoordspelling

33. Welke zin is goed gespeld?

  1. Wordt je morgen opgehaald?
  2. Wort je morgen opgehaald?
  3. Word je morgen opgehaald?
  4. Worden je morgen opgehaald?
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. Word je morgen opgehaald?

Staat je/jij achter de persoonsvorm, dan vervalt de t: 'Word je opgehaald?' Vergelijk: 'Loop je mee?' — ook geen t erbij.

Taal · Werkwoordspelling

34. 'Hij ... de sleutel onder de mat.' Welk woord hoort op de puntjes?

  1. vind
  2. vint
  3. vindt
  4. vinden
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. vindt

Hij = stam + t. De stam is 'vind' (van vinden), dus hij vindt. Truc: 'hij loopt' heeft een t → hier dus ook.

Taal · Werkwoordspelling

35. Wat is de verleden tijd van verhuizen (ik-vorm)?

  1. verhuiste
  2. verhuizde
  3. verhuisd
  4. verhuisde
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. verhuisde

Kijk naar het hele werkwoord: verhuizen. De z staat níét in 't kofschip → -de: 'ik verhuisde'.

Taal · Werkwoordspelling

36. Wat is de verleden tijd van praten (hij-vorm)?

  1. praate
  2. praatde
  3. prate
  4. praatte
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. praatte

Stam 'praat' eindigt op t ('t kofschip) → +te. Samen: praat + te = praatte, met dubbel-t.

Taal · Werkwoordspelling

37. Welke zin is goed gespeld?

  1. Het ongeluk is gisteren gebeurt.
  2. Het ongeluk is gisteren gebeuren.
  3. Het ongeluk is gisteren gebeurdt.
  4. Het ongeluk is gisteren gebeurd.
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. Het ongeluk is gisteren gebeurd.

'Is' + voltooid deelwoord → eindigt hier op d (verleng-truc: 'gebeurde'). Vergelijk: 'het gebeurt vaak' = persoonsvorm met t.

Taal · Werkwoordspelling

38. 'Zoiets ... wel vaker op school.' Welk woord hoort op de puntjes?

  1. gebeuren
  2. gebeurd
  3. gebeurdt
  4. gebeurt
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. gebeurt

'Zoiets' = het → persoonsvorm stam + t: gebeurt. Alleen mét 'is/heeft' ervoor schrijf je de d-vorm.

Taal · Werkwoordspelling

39. Welke zin is goed gespeld?

  1. Wij zijn vorig jaar verhuisde.
  2. Wij zijn vorig jaar verhuizd.
  3. Wij zijn vorig jaar verhuist.
  4. Wij zijn vorig jaar verhuisd.
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. Wij zijn vorig jaar verhuisd.

Voltooid deelwoord van verhuizen: verleng-truc 'verhuisde spullen' → eindigt op een d.

Taal · Werkwoordspelling

40. Welke zin (een bevel) is goed gespeld?

  1. Worden eens wakker, slaapkop!
  2. Wort eens wakker, slaapkop!
  3. Wordt eens wakker, slaapkop!
  4. Word eens wakker, slaapkop!
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. Word eens wakker, slaapkop!

Gebiedende wijs = alleen de stam: 'Word wakker!' Bij een bevel komt er nooit een extra t bij.

Taal · Werkwoordspelling

Oefen meer taal in de app →

Ook oefenen: rekenen · studievaardigheden · overzicht · weektaak groep 8

Dit zijn eigen oefenvragen van Leerkwartier in de stijl van de Doorstroomtoets, geen echte toetsvragen. De Doorstroomtoets in groep 8 bestaat uit lezen, taalverzorging en rekenen; studievaardigheden helpen bij alle drie. Meer uitleg over de toets: de Doorstroomtoets 2027-gids. Fout gezien? Mail hallo@leerkwartier.app.