Leerkwartier › Doorstroomtoets oefenen › Oefenvragen
Doorstroomtoets oefenvragen met antwoorden en uitleg
36 gratis oefenvragen voor groep 7 en 8, verdeeld over taal, rekenen en studievaardigheden. Probeer eerst zelf, open dan het antwoord: bij elke vraag staat in gewone taal waarom het zo is.
Meer oefenen? In de app staan per onderdeel honderden vragen, met hulp op drie niveaus als het niet lukt. Gratis, zonder account.
Taal
Woordenschat, begrijpend lezen, spelling, interpunctie en werkwoordspelling.
1. Welk woord is een synoniem van 'enorm'?
- Heel zwaar
- Heel oud
- Heel groot
- Heel klein
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. Heel groot
Heel groot. Enorm betekent hetzelfde als 'heel groot'.
Taal · Woordenschat
2. 'Het verlamde dier kon niet meer lopen.' Wat betekent verlamd?
- Heel erg bang zijn
- Gewond aan een poot
- Niet kunnen bewegen
- Heel erg moe zijn
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. Niet kunnen bewegen
Niet kunnen bewegen. De zin zegt dat het dier niet meer kan lopen. Verlamd = niet bewegen.
Taal · Woordenschat
3. Welk woord betekent hetzelfde als 'tevreden'?
- Blij met de situatie
- Bang voor de situatie
- Verbaasd over de situatie
- Boos over de situatie
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. Blij met de situatie
Blij met situatie. Tevreden = blij + akkoord. 'Blij met de situatie' = juist.
Taal · Woordenschat
4. Wat is een alinea?
- Een groep zinnen over één onderwerp
- Een plaatje met een onderschrift
- De hele tekst van begin tot eind
- Eén lange zin met veel komma's
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. Een groep zinnen over één onderwerp
Kijk naar een bladzijde in een boek: de tekst is verdeeld in stukjes met een witregel of inspringing ertussen. Hoe noem je zo'n stukje? Tekst-stukje met witregel ervoor en erna.
Taal · Begrijpend lezen
5. Wat geeft het signaalwoord 'omdat' aan?
- Een reden
- Een voorbeeld
- Een tegenstelling
- Een gevolg
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. Een reden
Maak een zin: 'Ik blijf binnen, omdat het regent.' Vertelt het stuk na 'omdat' wat er daarna gebeurt, of waaróm ik binnen blijf? Omdat hij ziek IS → reden. Daardoor blijft hij THUIS → gevolg.
Taal · Begrijpend lezen
6. Wat geeft het signaalwoord 'daardoor' aan?
- Gevolg
- Tegenstelling
- Voorbeeld
- Reden
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. Gevolg
Maak een zin: 'Het regende hard. Daardoor werd ik nat.' Vertelt het stuk na 'daardoor' waaróm het gebeurde, of wat er daarna gebeurde? Wat gebeurde DOOR die actie? = daardoor.
Taal · Begrijpend lezen
7. 'Gisteren ... ik naar school.' Welke vorm van fietsen hoort op de puntjes?
- fietsten
- fietste
- fiets
- fietsde
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. fietste
fietste (stam 'fiets' op s → -te). Werkwoord: fietsen. Stam: fiets. Eindigt op s (zit in 't kofschip). Voor verleden tijd + -te. Dus: ik fietste.
Taal · Spelling
8. Welk woord schrijf je met 'ei'?
- lijden
- trein
- blijven
- vlijtig
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. trein
trein. Trein = ei. Vlijtig/lijden/blijven = ij.
Taal · Spelling
9. 'Op ___ heb ik gym.' Welk woord is goed geschreven?
- dinstag
- dinsdag
- dingsdag
- Dinsdag
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. dinsdag
Staat het woord aan het begin van de zin? Zo nee: krijgt een dag van de week dan een hoofdletter? Dagen van de week krijgen in het Nederlands geen hoofdletter, behalve aan het begin van een zin. Kijk daarna goed naar de letters na 'din'.
Taal · Spelling
10. Welke zin heeft komma's op de goede plek?
- Ik kocht appels, peren, en druiven.
- Ik kocht appels, peren en druiven.
- Ik kocht, appels peren en druiven.
- Ik kocht appels peren, en druiven.
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. Ik kocht appels, peren en druiven.
Komma tussen items, geen komma vóór 'en'. Bij een opsomming: appels, peren en druiven. Tussen losse items komma, vóór 'en' geen komma.
Taal · Taalverzorging
11. Wat is het onderwerp in 'De kat slaapt'?
- Slaapt de kat
- De
- De kat
- Slaapt
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. De kat
Onderwerp = wie/wat de actie doet. 'De kat slaapt' → Wie slaapt? De kat. Dát is het onderwerp.
Taal · Taalverzorging
12. Wat is het werkwoord in 'Lisa rent hard'?
- Lisa rent
- hard
- rent
- Lisa
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. rent
Werkwoord = actie-woord (rent, slaapt, eet). Vraag 'wat doet hij?'. Antwoord = werkwoord.
Taal · Taalverzorging
Rekenen
Breuken, procenten, meten, geld, tijd en redactiesommen.
13. Wat is 3/8 + 4/8?
- 12/8
- 3/32
- 7/8
- 7/16
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. 7/8
Tellers optellen, noemer blijft. 3 + 4 = 7. Noemer blijft 8. Antwoord = 7/8.
Rekenen · Breuken & decimalen
14. Wat is 1/3 + 1/4?
- 2/7
- 7/12
- 2/12
- 1/12
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. 7/12
KGN=12, dan 4/12+3/12=7/12. Stap 1: gelijke noemer. 3×4=12. Stap 2: 1/3=4/12 en 1/4=3/12. Stap 3: 4+3=7. Antwoord 7/12.
Rekenen · Breuken & decimalen
15. 20% van €60 is:
- €20
- €12
- €3
- €80
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. €12
€12 (10%=€6, ×2). 10% van €60 = €6. 20% = 2 keer dat = €12.
Rekenen · Procenten & verhoudingen
16. Een trui kost €40 en je krijgt 25% korting. Wat betaal je?
- €25
- €30
- €15
- €10
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. €30
€30 (€40 - €10 korting). Korting = 25% × €40 = €10. Te betalen = €40 - €10 = €30.
Rekenen · Procenten & verhoudingen
17. Hoeveel meter is 2,5 km?
- 2500 m
- 250 m
- 25 m
- 25.000 m
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. 2500 m
2500 m. km × 1000 = m. 2,5 × 1000 = 2500.
Rekenen · Meten & schaal
18. Hoeveel kg is 350 g?
- 0,35 kg
- 0,035 kg
- 3,5 kg
- 35 kg
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. 0,35 kg
0,35 kg. 350 g ÷ 1000 = 0,35 kg.
Rekenen · Meten & schaal
19. Mike koopt 3 boeken van €12,50 per stuk. Hij betaalt met €50. Hoeveel wisselgeld?
- €12,50
- €50
- €37,50
- €25
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. €12,50
€12,50. 3×€12,50=€37,50. €50-€37,50=€12,50 wisselgeld.
Rekenen · Redactiesommen
20. Lisa heeft toets-cijfers 6,5 / 7 / 7,5 / 8. Wat is haar gemiddelde?
- 7,25
- 29
- 7
- 7,5
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. 7,25
7,25. Totaal=29. ÷ 4 cijfers = 7,25.
Rekenen · Redactiesommen
21. Sanne koopt bij de kantine een pakje appelsap van €1,35 en een koek van €0,85. Hoeveel betaalt ze samen?
- €2,30
- €2,10
- €2,20
- €1,20
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. €2,20
€1,35 + €0,85: eerst de centen (35 + 85 = 120 cent = €1,20), dan €1 + €1,20 = €2,20.
Rekenen · Geld & kommagetallen
22. Job betaalt met een briefje van €5 voor een tijdschrift van €3,60. Hoeveel wisselgeld krijgt hij?
- €2,60
- €2,40
- €1,40
- €1,60
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. €1,40
Aanvullen: €3,60 + €0,40 = €4,00, dan + €1,00 = €5,00. Wisselgeld = €0,40 + €1,00 = €1,40.
Rekenen · Geld & kommagetallen
23. De gymles begint om 9:45 en eindigt om 11:20. Hoe lang duurt de les?
- 1 uur en 25 minuten
- 1 uur en 45 minuten
- 1 uur en 35 minuten
- 2 uur en 25 minuten
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. 1 uur en 35 minuten
9:45 → 10:00 = 15 min. 10:00 → 11:00 = 1 uur. 11:00 → 11:20 = 20 min. Samen: 1 uur en 35 minuten.
Rekenen · Tijd, snelheid & kalender
24. De film begint om 14:10 en duurt 1 uur en 50 minuten. Hoe laat is de film afgelopen?
- 16:10
- 15:60
- 16:00
- 15:50
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. 16:00
14:10 + 1 uur = 15:10. Dan + 50 min: 15:10 + 50 = 16:00 (want 10 + 50 = 60 minuten = 1 heel uur).
Rekenen · Tijd, snelheid & kalender
Studievaardigheden
Informatie opzoeken, schema's, bronnen en naslag.
25. Op een kompasroos staat boven meestal welke windrichting?
- Noord (N)
- Oost (O)
- Zuid (Z)
- West (W)
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. Noord (N)
Denk aan de kaart van Nederland: Groningen staat bovenaan en Limburg onderaan. In welke windrichting ligt Groningen vanaf Limburg? Op een kompasroos staan vier letters. De letter bovenaan hoort bij de kant waar Groningen ligt. Welke windrichting is dat?
Studievaardigheden · Kaart + schaal lezen
26. Welke windrichting ligt op het kompas tussen N en O?
- NO (noord-oost)
- ZO (zuid-oost)
- NW (noord-west)
- ZW (zuid-west)
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. NO (noord-oost)
Tussen 2 hoofdrichtingen = naam combineert ze: NO, ZO, ZW, NW. Zet de twee letters uit de vraag in dezelfde volgorde achter elkaar. Dat is de naam van de tussenrichting.
Studievaardigheden · Kaart + schaal lezen
27. Cirkeldiagram: voetbal 50%, hockey 25%, zwemmen 15%, rest = ?
- 10%
- 20%
- 5%
- 25%
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: A. 10%
100 − 50 − 25 − 15 = 10%. Totaal = 100%. Trek af wat we al hebben: 100 − (50+25+15) = 100 − 90 = 10%.
Studievaardigheden · Tabel + grafiek lezen
28. Een lijngrafiek laat de temperatuur over 5 dagen zien: 18, 22, 25, 23 en 19 °C. Wat is het patroon?
- Steeds dalen
- Eerst stijgen, dan dalen
- Steeds stijgen
- Geen patroon
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. Eerst stijgen, dan dalen
Vergelijk elke dag met de dag ervoor: wordt het getal groter of kleiner? Tot dag 3 omhoog (25 = piek), daarna omlaag.
Studievaardigheden · Tabel + grafiek lezen
29. Welk woord staat het eerst in het woordenboek?
- arm
- appel
- auto
- avond
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. appel
appel. a-p (appel) komt vóór a-u (auto) in alfabet.
Studievaardigheden · Woordenboek, atlas + index
30. Wat staat voorin een boek?
- Nawoord
- Inhoudsopgave
- Index
- Woordenlijst
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. Inhoudsopgave
Voorin = inhoudsopgave (hoofdstukken). Achterin = index. Hoofdstuk zoeken? Inhoudsopgave. Woord zoeken? Index.
Studievaardigheden · Woordenboek, atlas + index
31. Wat is een stroomdiagram?
- Een kaart met rivieren en stromen
- Een schema met stappen en pijlen
- Een tabel met rijen en kolommen
- Een grafiek met een stijgende lijn
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: B. Een schema met stappen en pijlen
Stappen met pijlen. Een schema dat 'wat-eerst, wat-daarna' aangeeft met pijlen.
Studievaardigheden · Schema's + stappenplan
32. Bij 'taart bakken' — wat doe je eerst?
- Beslag mengen
- Taart in de oven zetten
- Recept lezen
- Ingrediënten afwegen
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. Recept lezen
Recept lezen. Eerste stap = wat moet ik weten? = Recept lezen.
Studievaardigheden · Schema's + stappenplan
33. Welk woord staat het eerst in het woordenboek?
- balk
- balkon
- bal
- ballon
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. bal
bal. Alle 4 beginnen met 'bal'. 'bal' is het kortst — staat dus eerst.
Studievaardigheden · Eind-opdracht
34. Cirkeldiagram: rood 40%, blauw 30%, geel 20%. Hoeveel procent is de rest?
- 5%
- 15%
- 10%
- 25%
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: C. 10%
10% (100 − 90). 40+30+20=90. 100−90=10.
Studievaardigheden · Eind-opdracht
35. Je fietst 's ochtends van huis naar het oosten naar school. Na school fiets je dezelfde weg terug naar huis. In welke richting fiets je dan?
- Naar het oosten
- Naar het noorden
- Naar het zuiden
- Naar het westen
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: D. Naar het westen
Terug = tegenovergestelde richting. Tegenover oost ligt west.
Studievaardigheden · Kaart & legenda lezen
36. Je wilt van de bibliotheek naar het zwembad. Route A: 2 kilometer langs een drukke autoweg. Route B: 3 kilometer door het park. Je moeder zegt: kies de veiligste route. Welke kies je?
- Route A, want die is korter
- Het maakt niet uit welke je kiest
- Route A, want druk is gezellig
- Route B, want daar rijden geen auto's
Bekijk het antwoord en de uitleg
Goed antwoord: D. Route B, want daar rijden geen auto's
Er werd om de veiligste route gevraagd, niet de kortste. Door het park rijden geen auto's: route B.
Studievaardigheden · Kaart & legenda lezen
Dit zijn eigen oefenvragen van Leerkwartier in de stijl van de Doorstroomtoets, geen echte toetsvragen. De Doorstroomtoets in groep 8 bestaat uit lezen, taalverzorging en rekenen; studievaardigheden helpen bij alle drie. Meer uitleg over de toets: de Doorstroomtoets 2027-gids. Fout gezien? Mail hallo@leerkwartier.app.