Leerkwartier › Doorstroomtoets oefenen › Oefenvragen › Rekenen

Doorstroomtoets rekenen oefenen: 40 oefenvragen met uitleg

Rekenen op de Doorstroomtoets gaat over getallen en bewerkingen, breuken, procenten en kommagetallen, meten en meetkunde, verhoudingen en verbanden (tabellen en grafieken). Veel sommen zijn redactiesommen: een kort verhaal waar je zelf de som uit moet halen.

Probeer eerst zelf, open dan het antwoord. Lukt het niet? In de app krijgt een kind bij elke vraag hulp op drie niveaus, tot het het snapt. Gratis, zonder account.

Breuken & decimalen

1. Wat is 3/8 + 4/8?

  1. 7/16
  2. 3/32
  3. 7/8
  4. 12/8
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 7/8

Tellers optellen, noemer blijft. 3 + 4 = 7. Noemer blijft 8. Antwoord = 7/8.

Rekenen · Breuken & decimalen

2. Wat is 1/3 + 1/4?

  1. 1/12
  2. 2/12
  3. 7/12
  4. 2/7
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 7/12

Maak eerst gelijke noemers: zoek het kleinste getal waar 3 én 4 allebei in passen. Schrijf dan beide breuken met die noemer. Stap 1: gelijke noemer. 3×4=12. Stap 2: 1/3=4/12 en 1/4=3/12. Stap 3: 4+3=7. Antwoord 7/12.

Rekenen · Breuken & decimalen

3. Welke is groter: 3/5 of 2/3?

  1. 2/3
  2. Kan niet weten
  3. Allebei gelijk
  4. 3/5
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 2/3

Maak van beide breuken vijftienden (of kommagetallen). Vergelijk daarna de tellers. Maak gelijk: 3/5=9/15, 2/3=10/15. 10>9 dus 2/3 groter.

Rekenen · Breuken & decimalen

4. 3/4 als decimaal getal is:

  1. 0,75
  2. 0,43
  3. 0,34
  4. 3,4
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 0,75

Een breuk is een deling: teller gedeeld door noemer. Hoeveel is 3 gedeeld door 4? 3/4 = 3 gedeeld door 4 = 0,75. Of: 3 van 4 kwartjes = 75 cent.

Rekenen · Breuken & decimalen

5. Vereenvoudig 6/9 zo ver mogelijk. Wat krijg je?

  1. 2/3
  2. 1/3
  3. 6/9 kan niet kleiner
  4. 3/4
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 2/3

Zoek het grootste getal waar 6 én 9 allebei door te delen zijn. Deel de teller en de noemer door dat getal. 6 en 9 delen beide door 3. 6/9 = 2/3.

Rekenen · Breuken & decimalen

6. Hoeveel is 1/4 in decimalen?

  1. 0,25
  2. 0,75
  3. 0,4
  4. 0,14
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 0,25

Breuk → decimaal = teller ÷ noemer. 1/4 = 1 ÷ 4 = 0,25.

Rekenen · Breuken & decimalen

7. Wat is 2/3 − 1/6?

  1. 1/6
  2. 1/2
  3. 2/6
  4. 1/3
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 1/2

Gelijknamig maken, dan tellers aftrekken, vereenvoudigen. 2/3 = 4/6. Nu 4/6 − 1/6 = 3/6 = 1/2.

Rekenen · Breuken & decimalen

Procenten & verhoudingen

8. 20% van €60 is:

  1. €80
  2. €12
  3. €3
  4. €20
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. €12

Reken eerst 10% van €60 uit (delen door 10). Hoe vaak past 10% in 20%? 10% van €60 = €6. 20% = 2 keer dat = €12.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

9. Een trui kost €40 en je krijgt 25% korting. Wat betaal je?

  1. €10
  2. €30
  3. €15
  4. €25
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. €30

25% is hetzelfde als een kwart. Reken eerst uit hoeveel euro een kwart van €40 is en haal die korting daarna van €40 af. Korting = 25% × €40 = €10. Te betalen = €40 - €10 = €30.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

10. Anouk haalt 12 van de 60 vragen goed. Hoeveel procent heeft ze goed?

  1. 60%
  2. 20%
  3. 5%
  4. 12%
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 20%

Schrijf het als breuk: 12 van de 60 is 12/60. Vereenvoudig die breuk en zet hem om naar procenten. 12 ÷ 60 = 0,2. × 100 = 20%.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

11. Een klas heeft 24 leerlingen. De verhouding meiden : jongens is 3 : 5. Hoeveel meiden zitten er in de klas?

  1. 8
  2. 15
  3. 9
  4. 12
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 9

Tel de delen van de verhouding op. Hoeveel leerlingen horen bij één deel? Hoeveel delen zijn meiden? 3+5=8 delen. 24÷8=3 per deel. Meiden=3×3=9.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

12. Tom fietst 15 km in 30 minuten. Hoe hard fietst hij in km per uur?

  1. 7,5 km/u
  2. 45 km/u
  3. 30 km/u
  4. 15 km/u
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 30 km/u

Hoe vaak past 30 minuten in een heel uur? Zo vaak fietst Tom 15 km. 30 min = half uur. 15 km in half uur = 30 km in een heel uur.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

13. Een jas kost €80. Je krijgt 25% korting. Hoeveel betaal je?

  1. €55
  2. €105
  3. €60
  4. €20
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. €60

Reken eerst uit hoeveel euro de korting is. Haal dat bedrag daarna van €80 af. 25% van €80 = €20. €80 − €20 = €60.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

14. Hoeveel is 40% van 200?

  1. 60
  2. 80
  3. 240
  4. 100
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 80

% van getal = (% ÷ 100) × getal. Of: 10% × aantal-tientjes. 10% van 200 = 20. 40% = 4 × 20 = 80.

Rekenen · Procenten & verhoudingen

Meten & schaal

15. Hoeveel meter is 2,5 km?

  1. 250 m
  2. 2500 m
  3. 25 m
  4. 25.000 m
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 2500 m

Hoeveel meter zit er in 1 km? Neem dat 2,5 keer. km × 1000 = m. 2,5 × 1000 = 2500.

Rekenen · Meten & schaal

16. Hoeveel kg is 350 g?

  1. 3,5 kg
  2. 0,35 kg
  3. 0,035 kg
  4. 35 kg
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 0,35 kg

In 1 kg zit 1000 g. Deel 350 door 1000: hoeveel plekken schuift de komma? 350 g ÷ 1000 = 0,35 kg.

Rekenen · Meten & schaal

17. Hoeveel mL zit in 2,5 L?

  1. 2500 mL
  2. 250 mL
  3. 25.000 mL
  4. 25 mL
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 2500 mL

In 1 liter zit 1000 mL. Neem dat 2,5 keer. 2,5 L × 1000 = 2500 mL.

Rekenen · Meten & schaal

18. Een rechthoekige tuin is 6 m × 4 m. Wat is de oppervlakte?

  1. 24 m²
  2. 12 m²
  3. 10 m²
  4. 20 m²
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 24 m²

Oppervlakte van een rechthoek = lengte × breedte. Let op de eenheid: m². 6 m × 4 m = 24 m².

Rekenen · Meten & schaal

19. Een doos is 10 cm lang, 10 cm breed en 10 cm hoog. Wat is de inhoud (het volume)?

  1. 1000 cm³
  2. 300 cm³
  3. 100 cm³
  4. 30 cm³
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 1000 cm³

Inhoud van een doos = lengte × breedte × hoogte. De eenheid wordt cm³. 10 × 10 × 10 = 1000. Eenheid is cm³.

Rekenen · Meten & schaal

20. Een tuin is 5 m × 8 m. Hoeveel meter hek heb je nodig om de hele tuin heen (de omtrek)?

  1. 26 m
  2. 20 m
  3. 40 m
  4. 13 m
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 26 m

Omtrek rechthoek = 2 × (lengte + breedte). 5+5+8+8 = 26 m hek nodig.

Rekenen · Meten & schaal

21. Hoeveel gram is 2,5 kg?

  1. 25.000 g
  2. 250 g
  3. 2500 g
  4. 25 g
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 2500 g

In 1 kg zit 1000 g. Neem dat 2,5 keer. 2,5 × 1000 = 2500.

Rekenen · Meten & schaal

Redactiesommen

22. Mike koopt 3 boeken van €13,50 per stuk. Hij betaalt met €50. Hoeveel wisselgeld krijgt hij?

  1. €50
  2. €40,50
  3. €9,50
  4. €25
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. €9,50

Reken eerst uit wat de 3 boeken samen kosten. Haal dat daarna van €50 af. 3 × €13,50 = €40,50. Dan €50 − €40,50 = ?

Rekenen · Redactiesommen

23. Lisa heeft toets-cijfers 6,5 / 7 / 7,5 / 8. Wat is haar gemiddelde?

  1. 29
  2. 7
  3. 7,25
  4. 7,5
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 7,25

Tel eerst alle cijfers bij elkaar op. Deel daarna door het aantal cijfers. 6,5 + 7 + 7,5 + 8 = 29. Deel 29 door 4.

Rekenen · Redactiesommen

24. Een trui kost €32. In de uitverkoop krijg je 25% korting. Wat betaal je?

  1. €28
  2. €8
  3. €24
  4. €40
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. €24

25% is een kwart. Reken eerst uit hoeveel een kwart van €32 is — dat gaat eraf. Korting: 25% van €32 = €8. Je betaalt €32 − €8.

Rekenen · Redactiesommen

25. Een auto rijdt 90 km per uur. Hoe ver komt hij in 20 minuten?

  1. 30 km
  2. 45 km
  3. 20 km
  4. 60 km
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 30 km

Welk deel van een uur is 20 minuten? Neem datzelfde deel van 90 km. 20 minuten = 1/3 uur. Hoeveel is 1/3 van 90 km?

Rekenen · Redactiesommen

26. In een klas van 28 leerlingen haalt 75% een voldoende. Hoeveel leerlingen hebben een onvoldoende?

  1. 7
  2. 21
  3. 14
  4. 4
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. 7

Hoeveel procent heeft géén voldoende? Reken dat percentage van 28 uit. 100% − 75% = 25% onvoldoende. 25% is een kwart: hoeveel is een kwart van 28?

Rekenen · Redactiesommen

27. Een glas frisdrank kost €1,80. Hoeveel betaal je voor 5 glazen?

  1. €9,00
  2. €7,20
  3. €10,00
  4. €1,80
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: A. €9,00

Splits €1,80 in €1 en €0,80. Reken voor elk deel 5 keer en tel op. 5 × €1 = €5 en 5 × €0,80 = €4. Samen?

Rekenen · Redactiesommen

28. Een lege fietstas weegt 800 g. Er gaat 2 kg boodschappen in. Hoeveel weegt de tas nu in totaal?

  1. 802 g
  2. 2,8 kg
  3. 2,2 kg
  4. 2,08 kg
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 2,8 kg

Zet eerst alles in dezelfde eenheid: hoeveel kg is 800 g? 800 g = 0,8 kg. Tel daar 2 kg bij op.

Rekenen · Redactiesommen

Geld & kommagetallen

29. Sanne koopt bij de kantine een pakje appelsap van €1,35 en een koek van €0,85. Hoeveel betaalt ze samen?

  1. €1,20
  2. €2,20
  3. €2,10
  4. €2,30
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. €2,20

€1,35 + €0,85: eerst de centen (35 + 85 = 120 cent = €1,20), dan €1 + €1,20 = €2,20.

Rekenen · Geld & kommagetallen

30. Job betaalt met een briefje van €5 voor een tijdschrift van €3,60. Hoeveel wisselgeld krijgt hij?

  1. €1,60
  2. €1,40
  3. €2,40
  4. €2,60
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. €1,40

Aanvullen: €3,60 + €0,40 = €4,00, dan + €1,00 = €5,00. Wisselgeld = €0,40 + €1,00 = €1,40.

Rekenen · Geld & kommagetallen

31. Wat is 0,7 × 10?

  1. 70
  2. 7
  3. 0,07
  4. 0,7
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: B. 7

× 10 = komma 1 plek naar rechts: 0,7 → 7.

Rekenen · Geld & kommagetallen

32. Wat is 3,45 × 100?

  1. 34,5
  2. 3450
  3. 345
  4. 0,0345
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 345

× 100 = komma 2 plekken naar rechts: 3,45 → 34,5 → 345.

Rekenen · Geld & kommagetallen

33. Wat is 62,5 ÷ 10?

  1. 625
  2. 0,625
  3. 6,25
  4. 62,05
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. 6,25

÷ 10 = komma 1 plek naar links: 62,5 → 6,25.

Rekenen · Geld & kommagetallen

34. Appels kosten €1,80 per kilo. Mama koopt 2,5 kilo. Wat betaalt ze?

  1. €4,30
  2. €3,60
  3. €4,50
  4. €2,80
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: C. €4,50

2 kilo = 2 × €1,80 = €3,60. Halve kilo = €0,90. Samen €3,60 + €0,90 = €4,50.

Rekenen · Geld & kommagetallen

Tijd, snelheid & kalender

35. De gymles begint om 9:45 en eindigt om 11:20. Hoe lang duurt de les?

  1. 1 uur en 45 minuten
  2. 2 uur en 25 minuten
  3. 1 uur en 25 minuten
  4. 1 uur en 35 minuten
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. 1 uur en 35 minuten

9:45 → 10:00 = 15 min. 10:00 → 11:00 = 1 uur. 11:00 → 11:20 = 20 min. Samen: 1 uur en 35 minuten.

Rekenen · Tijd, snelheid & kalender

36. De film begint om 14:10 en duurt 1 uur en 50 minuten. Hoe laat is de film afgelopen?

  1. 15:60
  2. 15:50
  3. 16:10
  4. 16:00
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. 16:00

14:10 + 1 uur = 15:10. Dan + 50 min: 15:10 + 50 = 16:00 (want 10 + 50 = 60 minuten = 1 heel uur).

Rekenen · Tijd, snelheid & kalender

37. Het is 10:50. Over drie kwartier begint de training. Hoe laat begint de training?

  1. 11:25
  2. 11:20
  3. 11:05
  4. 11:35
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. 11:35

Drie kwartier = 3 × 15 = 45 minuten. 10:50 + 10 min = 11:00, dan nog 35 min = 11:35.

Rekenen · Tijd, snelheid & kalender

38. De bus naar het zwembad vertrekt elk uur om :12 en om :42. Je bent om 9:55 bij de halte. Hoe lang moet je wachten?

  1. 7 minuten
  2. 47 minuten
  3. 13 minuten
  4. 17 minuten
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. 17 minuten

De eerstvolgende bus is die van 10:12. Van 9:55 → 10:00 = 5 min, → 10:12 = nog 12 min. Samen 17 minuten.

Rekenen · Tijd, snelheid & kalender

39. De trein vertrekt om 8:37 en komt aan om 9:12. Hoe lang duurt de reis?

  1. 75 minuten
  2. 25 minuten
  3. 45 minuten
  4. 35 minuten
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. 35 minuten

8:37 → 9:00 = 23 min. 9:00 → 9:12 = 12 min. Samen 35 minuten.

Rekenen · Tijd, snelheid & kalender

40. Een auto rijdt 120 kilometer in 1,5 uur. Wat is de gemiddelde snelheid in kilometer per uur?

  1. 90 km per uur
  2. 60 km per uur
  3. 180 km per uur
  4. 80 km per uur
Bekijk het antwoord en de uitleg

Goed antwoord: D. 80 km per uur

Snelheid = afstand ÷ tijd = 120 ÷ 1,5 = 80 km per uur. (Check: 1,5 × 80 = 120 ✓)

Rekenen · Tijd, snelheid & kalender

Oefen meer rekenen in de app →

Ook oefenen: taal · studievaardigheden · overzicht · weektaak groep 8

Dit zijn eigen oefenvragen van Leerkwartier in de stijl van de Doorstroomtoets, geen echte toetsvragen. De Doorstroomtoets in groep 8 bestaat uit lezen, taalverzorging en rekenen; studievaardigheden helpen bij alle drie. Meer uitleg over de toets: de Doorstroomtoets 2027-gids. Fout gezien? Mail hallo@leerkwartier.app.