Deel 1: Wat is een werkwoord? — Een werkwoord zegt wat iemand doet of hoe iemand is.
Deel 2: Tegenwoordige tijd — basisregel — Regel voor de tegenwoordige tijd (NU): | Persoon | Vorm | Voorbeeld | |---|---|---| | ik | stam (alleen) | ik werk | | jij/u | stam + t | jij werkt | |…
Deel 3: Stam eindigt op d (worden, vinden) — Wanneer de stam eindigt op d, krijgt 'ie bij hij/zij/het nog een -t erachter.
Deel 4: Stam eindigt op t (zitten, vechten) — Wanneer de stam al op een t eindigt, voeg je géén extra t toe — dat zou een dubbele t geven, en dat schrijven we niet.
Deel 5: Verleden tijd zwakke werkwoorden — 't kofschip — Verleden tijd vorm je bij zwakke werkwoorden (95% van alle werkwoorden) door -de of -te achter de stam te zetten.
Deel 6: Lastig: verleden tijd vs voltooid deelwoord — Niet verwarren! Twee vormen die op elkaar lijken: Verleden tijd (simpel verleden — gewoonlijk -te of -de) • Ik werkte gisteren.
Deel 7: Het verschil tussen 'word' en 'wordt' — extra strikt — Dit is dé klassieke d/t-fout — bijna iedereen maakt 'm wel eens.
Deel 8: Eindopdracht — alle d/t-regels samen — Alle regels op een rij: 1.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. Wat is de stam van werken?
A.werk
B.werken
C.wer
D.werkt
2. Wat is de stam van maken?
A.maak
B.mak
C.make
D.maken
3. Wat is de stam van lopen?
A.loop
B.lop
C.lopen
D.loopt
4. Wat is de stam van willen?
A.wil
B.will
C.wille
D.willen
5. Wat is de stam van hebben?
A.heb
B.hebb
C.hebbe
D.hebt
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.