Deel 1: De vier schrijversdoelen — Elke schrijver heeft een doel: iets wat hij bij de lezer wil bereiken.
Deel 2: Voor wie is dit geschreven? — Naast het doel heeft elke tekst ook een doelgroep: de lezers voor wie de schrijver de tekst bedoelde.
Deel 3: Verstopte doelen — reclame die informeert — Sommige teksten hebben een verstopt doel.
Deel 4: Doorstroomtoets-mix — doel én doelgroep — Tijd voor een echte oefening in Doorstroomtoets-stijl.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. "De egel slaapt bijna de hele winter. Zijn hartslag daalt dan van tweehonderd naar ongeveer twintig slagen per minuut. Zo verbruikt hij bijna geen energie." — Wat wil de schrijver?
A.Informeren
B.Overtuigen
C.Amuseren
D.Instrueren
2. "Kom zaterdag óók naar de opruimdag in speeltuin De Draaimolen! Zwerfvuil is gevaarlijk voor kleine kinderen. Samen is het zo gebeurd — doe je mee?" — Wat wil de schrijver?
A.Overtuigen
B.Informeren
C.Amuseren
D.Instrueren
3. "Doe eerst de dop van de lijmstift. Draai de lijm een klein stukje omhoog. Smeer daarna dun langs de randen van het papier en druk tien tellen aan." — Wat wil de schrijver?
A.Instrueren
B.Informeren
C.Overtuigen
D.Amuseren
4. "Opa's kunstgebit vloog met een sierlijke boog het aquarium in. De goudvis staarde er verbaasd naar. 'Tja,' zei opa, 'die vis lacht nu breder dan ik.'" — Wat wil de schrijver?
A.Amuseren
B.Informeren
C.Instrueren
D.Overtuigen
5. "Knip het papier langs de stippellijn. Vouw daarna langs de streepjeslijn. Plak de twee randen op elkaar." — Welk doel heeft deze tekst?
A.Instrueren
B.Informeren
C.Amuseren
D.Overtuigen
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.