Deel 1: Zakelijke tekst — informeren — De geschiedenis van de fiets De fiets bestaat ongeveer tweehonderd jaar.
Deel 2: Instructieve tekst — uitleggen — Hoe maak je een goede paperclip-armband?
Deel 3: Betogende tekst — mening herkennen — Telefoons horen niet thuis op de basisschool Steeds meer kinderen hebben tegenwoordig een eigen smartphone.
Deel 4: Verhalende tekst — gevoelens en motieven — De vergeten lunchtrommel Sara stapte uit de bus.
Deel 5: Eindopdracht — vier teksten gemixt — Vier vragen, één over elke tekst-soort.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. In welk jaar werd de eerste fiets uitgevonden?
A.1817
B.1860
C.1885
D.1900
2. Waarom had de hoge bi een groot voorwiel?
A.Omdat je met één pedaalomwenteling dan meer afstand aflegde
B.Omdat metaal toen duur was en zo bespaarden ze materiaal
C.Omdat het mooier oogde dan een gewone fiets
D.Omdat de pedalen op het achterwiel zaten
3. Wat betekent 'pedaalomwenteling' in deze tekst?
A.Eén keer rond met de pedalen trappen
B.Een speciaal soort fietsband
C.De afstand die je in één keer aflegt
D.Een onderdeel van de remmen
4. Wat is de hoofdgedachte van deze tekst?
A.De fiets is in 200 jaar veel veranderd, van loopfiets tot moderne fiets
B.Karl von Drais bedacht in 1817 de eerste fiets, nog zonder pedalen
C.In Nederland zijn er meer fietsen dan inwoners
D.Door de ketting was een groot voorwiel niet meer nodig
5. Waarom werd de eerste fiets ook wel 'loopfiets' genoemd?
A.Je zette je met je voeten af van de grond
B.Je moest de fiets naast je meelopen
C.Je ging er even langzaam mee als lopen
D.Hij had pedalen waar je op kon lopen
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.