Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. Wat is een hoofdgedachte?
A.De kernboodschap
B.De titel
C.Een klein detail
D.Het onderwerp
2. Wat is het verschil tussen het onderwerp en de hoofdgedachte?
A.Onderwerp = waarover het gaat, hoofdgedachte = wat erover gezegd wordt
B.Onderwerp staat altijd na de hoofdgedachte in de tekst
C.Geen verschil, ze betekenen allebei hetzelfde
D.Onderwerp = altijd 1 woord, hoofdgedachte = de titel
3. Tekst: 'Honden zijn loyaal. Ze beschermen je. Ze spelen graag.' Wat is de hoofdgedachte?
A.Honden zijn fijne huisdieren
B.Honden spelen graag
C.Honden beschermen hun baas
D.Honden bijten soms
4. Tekst: 'Regen is belangrijk voor de natuur. Planten hebben water nodig om te groeien. Ook dieren drinken water uit plassen en sloten.' Wat is het onderwerp van deze tekst?
A.Regen
B.Regen is belangrijk voor de natuur
C.Sloten
D.Planten
5. Tekst: 'Een konijn heeft elke dag vers hooi en water nodig. Zijn hok moet je vaak schoonmaken. En hij wil graag buiten zijn hok rondhuppelen.' Wat is de hoofdgedachte?
A.Een konijn heeft veel zorg nodig
B.Een konijn eet elke dag vers hooi
C.Konijnen zijn bang voor honden
D.Alle dieren zijn leuk
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.