Deel 1: A / An — onbepaald lidwoord — In het Engels gebruik je a of an voor 'een': • a vóór medeklinker-klank: a book, a cat, a dog, a tree, a house • an vóór klinker-klank: an apple, an egg, an…
Deel 3: This / That / These / Those — Aanwijzen in het Engels: | Enkelvoud | Meervoud | Afstand | |-----------|----------|---------| | this (dit/deze) | these (deze) | dichtbij | | that (dat/die) |…
Deel 4: To be — am / is / are — Het werkwoord 'to be' (zijn) is onregelmatig: | Onderwerp | Vorm | NL | |-----------|------|-----| | I | am | ik ben | | You | are | jij bent / jullie zijn | |…
Deel 5: Present simple — tegenwoordige tijd — Voor gewoontes / feiten gebruik je present simple.
Deel 6: Vragen + ontkenning — Vragen maken in present simple met do/does: • Do + I / you / we / they + werkwoord?
Deel 7: Eindopdracht — alles samen — Mix-toets over a/an + meervoud + this/that + am-is-are + present simple + vragen.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. Welk lidwoord zet je voor één apple?
A.an
B.a
C.the
D.geen
2. Welk lidwoord zet je voor één book?
A.a
B.an
C.the
D.any
3. Welke is fout?
A.a egg
B.an egg
C.a book
D.an apple
4. 'Het meisje heeft een hond.' → 'She has __ dog.'
A.a
B.an
C.the
D.no
5. 'I have an orange.' — Welke vertaling?
A.Ik heb een sinaasappel.
B.Ik heb sinaasappels.
C.De sinaasappel is van mij.
D.Ik heb geen sinaasappel.
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.