Deel 1: Het alfabet — de letters op volgorde — Het alfabet is alle letters op een rij: a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z Dat zijn er 26.
Deel 2: Meervoud — één boek, twee boeken — Eén ding = enkelvoud.
Deel 3: Verkleinwoorden — alles klein maken — Met een verkleinwoord maak je iets klein.
Deel 4: Tegenstellingen — precies andersom — Een tegenstelling is precies het omgekeerde.
Deel 5: Zinnen maken — hoofdletter en punt — Een goede zin heeft drie dingen: 1.
Blad 1 is de uitleg per deel met een uitgewerkt voorbeeld, daarna de vragen (zeven per blad), en als laatste de antwoorden met één zin uitleg.
Voorbeeldvragen
1. Welke letter komt na de d?
A.e
B.c
C.f
D.b
2. Welk woord staat het eerst in het woordenboek?
A.appel
B.banaan
C.citroen
D.druif
3. Welke letter hoort op de plek van het vraagteken? k — l — ? — n
A.m
B.o
C.j
D.p
4. Hoeveel letters heeft het alfabet?
A.26
B.20
C.30
D.16
5. Welke letter komt net vóór de h?
A.g
B.i
C.j
D.k
De antwoorden staan op het laatste blad van het werkblad. Op het scherm krijgt een kind bij elke vraag uitleg op drie niveaus.