Economie eindexamen VMBO-GL/TL 2025 tijdvak 2 — vraag 43 van 5

Het modale inkomen wordt nog vaak gebruikt om de koopkracht te onderzoeken. Waar moet rekening mee gehouden worden bij het bepalen van de koopkracht?

Antwoordopties:
  1. De inflatie van het land. ✓
  2. De inkomensverdeling in het land.
  3. De oppervlakte van het land.
  4. Het aantal inwoners in het land.
Het juiste antwoord is A: De inflatie van het land.

Koopkracht = wat je werkelijk kunt kopen voor je inkomen. Daarvoor moet je nominaal inkomen corrigeren voor INFLATIE (prijsstijgingen). Stijgt je modaal inkomen met 3% terwijl prijzen 5% stijgen → koopkracht daalt 2%. Inflatie is de KERN-correctie voor koopkracht.

Stap voor stap uitgelegd

  1. Wat is koopkracht?

    Hoeveel je werkelijk KAN KOPEN voor je inkomen. Niet euro's, maar boodschappen-equivalent.

  2. Wat beïnvloedt dat?

    (1) hoeveel je verdient (modaal inkomen). (2) hoe duur dingen zijn (prijzen → inflatie).

  3. Dus correctie nodig voor:

    INFLATIE. Inkomen +3%, prijzen +5% → koopkracht −2%.

  4. Andere opties?

    Inkomensverdeling = verdeling, niet wat een gemiddeld iemand kan kopen. Oppervlakte, aantal inwoners = irrelevant.

Wat moet je weten om deze vraag te kunnen beantwoorden?

  1. Woordenschat po-1F
    begrijpen 'koopkracht', 'inflatie', 'inkomensverdeling', 'modaal inkomen'
  2. Procenten po-1F
    inflatie als % aftrekken van loonstijging % voor reële verandering
  3. Inkomen en welvaart vmbo-3
    koopkracht-formule + inflatiecorrectie — kern van deze examenvraag
🎓 Officiële bron
Dit is een echte examenvraag uit het Centraal Schriftelijk Eindexamen Economie VMBO-GL/TL 2025 tijdvak 2.
Bekijk de volledige examenopgaven op examenblad.nl (PDF).
Oefen deze vraag interactief in Leerkwartier →