Economie eindexamen VMBO-GL/TL 2024 tijdvak 2 — vraag 33 van 6
Vermogen = bezittingen − schulden = €100.000 − €20.000 = €80.000.
Optie C: bezittingen +2% = +€2.000 (nu €102.000), schulden +6% = +€1.200 (nu €21.200). Nieuw vermogen = €102.000 − €21.200 = €80.800. Toename van €800. ✓
Optie A en B leiden allebei tot een vermogen-DALING.
Vermogen = BEZITTINGEN − SCHULDEN. Boot heeft €100k bezittingen + €20k schulden → vermogen €80.000.
Als bezittingen meer toenemen dan schulden. Of als schulden meer dalen dan bezittingen.
A: bezit −€4.000, schuld +€800 = vermogen −€4.800 ✗. B: bezit −€4.000, schuld −€1.200 = −€2.800 ✗. C: bezit +€2.000, schuld +€1.200 = +€800 ✓.
Reken altijd in EURO's, niet in %. 6% van €20.000 (€1.200) is veel kleiner dan 2% van €100.000 (€2.000).