Economie eindexamen VMBO-GL/TL 2023 tijdvak 1 — vraag 38 van 5
Monopolistische concurrentie = veel aanbieders + HETEROGENE producten (verschillende merken, kwaliteiten, design). Bv. kledingmerken, kappers, restaurants. Elke aanbieder heeft een 'klein monopolie' op zijn unieke product, maar concurreert met vele anderen. Past precies bij K2 bv.
Twee feiten: (1) heterogene producten = elk product is anders, (2) veel concurrenten op de markt.
Monopolie, oligopolie, monopolistische concurrentie, volkomen concurrentie. Elk verschilt in 'aantal aanbieders' en 'product gelijk of niet'.
Veel aanbieders → niet monopolie (1) of oligopolie (paar). Heterogene producten → niet volkomen concurrentie (homogeen). Dat laat MONOPOLISTISCHE concurrentie over.